Wachten op Gods tijd

Op een grijze zondagmiddag staan we op de bus te wachten bij de halte bij de kerk. Het is al jaren niet meer voorgekomen dat er een bus stopt in ons dorp. Maar dit keer is het anders. Een bijzonder uitje – een wandeltocht in Middelstum (omdat er tenslotte niets boven Groningen gaat) – met een bijzondere bus: zo’n ouderwetse gele, van de Fram. ‘Museumbus,’ staat er te lezen boven de voorruit. Een pronkstuk is het, in topconditie, met liefde op de weg gehouden door een clubje enthousiaste vrijwilligers. Vol passie vertelt de chauffeur over halfautomatische versnellingsbakken, stuurbekrachtiging en nog veel meer technische zaken waar ik geen verstand van heb. Ik zie hem kijken naar zijn bus, zijn ogen stralen. Dan betrekt zijn blik, en vraagt hij zich hardop af hoe lang ze het nog volhouden, met steeds minder vrijwilligers, en kosten die alleen maar stijgen.

Ik hoor wat hij zegt terwijl mijn ogen langs de witte kerktoren glijden en langs het kerkgebouw. Het gemaaide gras op het kerkhof. De pas aangeplante bomen. Alles in topconditie, dankzij een – steeds kleiner wordende – enthousiaste groep gemeenteleden, die de boel ‘op de weg’ houdt. Met passie. En met vragen over de toekomst. ‘Vroeger reed er een kerkbus van dorp naar dorp,’ zei iemand onderweg. ‘Dat waren nog eens tijden, toen zaten de kerken nog vol.’ Ik hoorde de passie in zijn stem, en ook zijn bezorgdheid. Net als bij de buschauffeur. En net als op de werkconferentie die we als ringgemeenten met elkaar hadden afgelopen februari. Hoe kunnen wij er als kerk zijn, in onze stad, in onze dorpen, in deze snel veranderende tijd? Wat moeten we doen? Of gewoon afwachten? Wachten op een betere tijd? Het zijn vragen van alle tijden. Ik moet denken aan een brief van Dietrich Bonhoeffer, geschreven in de gevangenis in mei 1944, aan zijn neefje dat gedoopt werd: Tegen de tijd dat jij groot bent, zal de gestalte van de kerk ingrijpend veranderd zijn. (…) Het is niet aan ons de dag te bepalen – maar die dag zál komen – dat er weer mensen geroepen zullen worden om Gods woord zó te spreken, dat de wereld er door veranderen en zich vernieuwen zal. Het zal een nieuwe taal zijn, totaal a-religieus misschien, maar bevrijdend en verlossend als de taal van Jezus. (…) Tot die tijd zal de zaak van de christenheid zich in stilte en verborgenheid moeten voltrekken, maar er zullen altijd mensen zijn die bidden, die de gerechtigheid realiseren en wachten op Gods tijd.

Dat is het verschil tussen wachten op de bus en wachten als kerk. Wachten op de bus is passief: afwachten. Wachten als kerk is actief: verwachten. Ondanks alles wat zich afspeelt in de grote wereld, ondanks alle ellende die mensen dichtbij soms maar zo overkomt, toch, de ‘boel rollende’ te houden. Door te bidden voor die wereld, voor die mensen. En door goed te doen, gewoon maar ‘er te zijn’ voor de mensen in de wereld, en in onze dorpen en in onze stad. Door – tegen de klippen op – te hopen, te vertrouwen, lief te hebben. Door zo, in stilte en verborgenheid, te wachten op Gods tijd.

  1. Reinier Tuitman

Uw email adres zal niet worden getoond. Verplichte velden zijn aangegeven met *

*