Een lied om het mee uit te zingen

 

Afgelopen voorjaarsvakantie heb ik een gedeelte van het Jabikspaad gewandeld. Bij Swarte Hoanne, even boven Sint Jacobiparochie, stapte ik uit de auto het einde van de wereld in – of, zoals de Bildtsters het zelf zeggen: het begin. Voor me ligt een uitgestrekte dijk langs het Wad. Het waait een storm. Geen mens te zien, alleen een paar hazen en, even verderop, enorme aantallen ganzen, die verstoord opvliegen als ze mij zien naderen. Hoe zal de tocht dit keer verlopen? Voor mij ligt het onbekende. Dat je niet leert kennen als je niet gaat. Dus til ik een voet op en zet hem voor de andere. Voor wie in beweging komt ontstaat de weg als vanzelf. De wandeltocht is als het leven zelf: dan schijnt de zon je weldadig in het gezicht, maar dan weer striemende hagelbuien en nergens een plek om te schuilen. Dan vang je de volle tegenwind op de kale akkers, dan weer bevind je je ‘yn ‘e lijte’ in een tuin vol bloeiende stinzenplanten. Zo ontstaat de weg – door het landschap, door het leven – met al zijn hoogte- en dieptepunten.

 

Onderweg betrap ik mezelf er nogal eens op dat ik loop te zingen. Het is dan niet zo dat ik me had voorgenomen om een bepaald lied te gaan zingen. Het is eerder alsof het lied me overkomt – op me toe komt, zo kun je het ook zeggen misschien. Zo trof ik, toen ik iets voorbij Mildam ‘oer ‘e Tjonger’ ging, daarbij een taalgrens passerend, mezelf aan onder een stormparaplu zingend ‘O Haupt voll Blut und Wunden.’ Eén van de mooiste koralen – vind ik – uit Bach’s Matthäus Passion.

 

O Haupt vol Blut und Wunden,

voll Schmerz und voller Hohn!

O Haupt, zum Spott gebunden,

mit einer Dornenkron!

O Haupt, sonst schön gezieret

mit höchster Ehr und Zier,

jetzt aber hoch schimpfieret:

gegrüβet seist du mir!

 

Sinds ik bij de oratoriumvereniging Bolsward ben (midden in de oorlog ontstaan in Abbega!), mag ik het elk jaar in de Stille Week meezingen in de twee uitvoeringen in die schitterende Martinikerk. Maar of we nu uitvoeren of repeteren, of ik ‘gewoon’ onderweg in mijn eentje loop te zingen, telkens raken de woorden en de melodie me diep. Na al het volkse geschreeuw  – Laß ihn kreuzigen! Sein Blut komme über uns und uns’re Kinder! – volgt dan in alle verstilling dit zachte, kwetsbare lied.

 

Voor mij is het dan telkens weer of ik uit de storm in de luwte beland; de verstilling ervaar en de geborgenheid van Gods liefde – liefde die tot het uiterste gaat, liefde die meest kale en winterse levensakker wil doordrenken en doen bloeien als een roos. Of, om in de sferen van mijn wandeltocht te blijven, als een sneeuwklokje, een winterakoniet en een wilde tulp.

 

Gedragen door Zijn liefde en met dit lied op de lippen zing ik het uit en kan ik gaan, stap voor stap. Niet enkel vandaag. Maar heel de weg van Veertig Dagen. Zo gaat het – zo gaan wij – op Pasen aan. Een levensweg! Met dan weer de wind in de rug en dan weer de wind pal tegen. Met dan weer de zon in het gezicht en dan weer de striemende regen. Met altijd dit lied om het mee uit te zingen. En het mij opnieuw te binnen te zingen: zozeer heeft God de wereld – de mensen, mij, jou – lief…

 

 

Reinier Tuitman

 

Uw email adres zal niet worden getoond. Verplichte velden zijn aangegeven met *

*